1. Home
  2.   MIRT-gebieden
  3.   Oost-Nederland
  4. Hoofdopgaven

Hoofdopgaven

Versterking van het vestiging- en productiemilieu in relatie tot de topsectoren

Voor de verdere ontwikkeling van de economische kracht van Oost-Nederland is versterking van het vestigingsklimaat van de economische kerngebieden belangrijk. Bereikbaarheid, het bieden van een attractief woonmilieu, het versterken van de campusvorming van de universiteiten en een goed aanbod aan vestigingslocaties zijn belangrijke voorwaarden. Innovatie wordt gestimuleerd door samenwerking tussen kennisintensieve bedrijven en instellingen binnen en buiten Oost-Nederland en door het versterken van de ‘triple helix’ (onderwijs, ondernemers en overheid). De demografische ontwikkelingen in Oost-Nederland vragen aandacht. Naar verwachting stabiliseert de bevolkingsgroei als geheel in 2030, terwijl de grotere steden, mede als gevolg van urbanisatie, blijven groeien. Als tegenbeweging zijn in de meer landelijke gebieden de gevolgen van krimp al merkbaar (bijv. in de Achterhoek). Dit heeft gevolgen voor de arbeids- en woningmarkt, het voorzieningenniveau en daarmee voor de ruimtelijke structuur en het vestigingsmilieu. Ook vergt het extra aandacht voor de bereikbaarheid van de grootstedelijke agglomeraties. Oost-Nederland wil haar energieopwekking op een toekomstbestendige, duurzame en innovatieve wijze laten plaatsvinden, zodat zij minder afhankelijk is van fossiele brandstoffen.

Versterken en benutten van de corridors

Bereikbaarheid is een randvoorwaarde voor het versterken van de economische potentie. Door Oost-Nederland lopen twee van de drie (internationale) Oost-West corridors waar Nederland mee te maken heeft. De Noordzee – Baltisch gebied corridor (A1, IJssel, Twentekanalen en Berlijnlijn) en de Rijn – Alpen corridor (A12 en A15, Waal, ICE-verbinding Randstad-Duitsland en Betuweroute). Noord-zuid loopt er een verbindingszone tussen A1 en A12/A15 via A50. De twee corridors behoren tot het kernnet van het TEN-T (Trans-European Transport Network). De hieraan gelegen binnenhavens van Nijmegen, Hengelo, Almelo en Deventer, zijn als Europese hoofd (core) binnenhavens aangemerkt. Oost-Nederland heeft de ambitie om meer economisch rendement te halen uit de doorvoer van goederen van de mainports naar Duitsland, door op multimodale knooppunten meer activiteiten te genereren die toegevoegde waarde leveren. Voor de corridors is de totstandkoming van één logistiek systeem (spoor, vaarwegen en wegen) dat synchromodaliteit faciliteert, het uitgangspunt. De synergie tussen havens en andere multimodale knooppunten wordt versterkt, zodat de groei van het goederenvervoer zo veel mogelijk via binnenvaart en spoor wordt opgevangen. Het hoofdwegen- en het hoofdspoorwegennet heeft ook een regionale ontsluitende functie voor de stedelijke gebieden. Dit geldt met name voor Arnhem-Nijmegen, Twente, Stedendriehoek Apeldoorn-Deventer-Zutphen en Zwolle-Kampen. Oost-Nederland zet in op zowel het versterken en benutten van de corridors, alsmede op de bereikbaarheid van en tussen de stedelijke gebieden in Oost- en Noord-Nederland, Randstad, Duitsland, Brabant en Limburg.

 Bij de watercorridors dienen oplossingen zowel het scheepvaartbelang als de hoogwaterveiligheid te borgen. De Rijntakken ondervinden namelijk steeds meer bodeminstabiliteit (erosie en verzanding). Rijk en regio moeten samenwerken om ongewenste ingrepen te voorkomen en synergiemaatregelen te stimuleren.

Wateropgave

In Oost-Nederland zullen maatregelen moeten worden getroffen om zowel het eigen grondgebied als de Randstad te blijven beschermen tegen hoogwater. Het Deltaprogramma heeft geleid tot een fundamenteel ander waterveiligheidsbeleid met nieuwe normen. De normen hebben een andere vorm (van overschrijdingskans naar overstromingskans) en een nieuwe hoogte. Daarmee worden de volgende doelen bereikt:

  • Iedereen in Nederland achter een primaire waterkering krijgt ten minste een beschermingsniveau van 10-5 per jaar.
  • Er wordt meer bescherming geboden op plaatsen waar sprake is van: 1. grote groepen slachtoffers; 2. en/of grote economische schade; 3. en/of ernstige schade door uitval van vitale en kwetsbare infrastructuur met nationaal belang.

Het streven is om in 2050 overal aan deze nieuwe normen te voldoen.

Uit analyses van de overstromingsrisico’s voor heel Nederland blijkt dat ca. 75% van deze risico’s in Nederland in het rivierengebied bestaan (Rijn en Maas). De nieuwe normering zal dan ook een grote impact hebben voor Oost-Nederland. Daarnaast wordt rekening gehouden met hogere piekafvoeren in de toekomst. Uit voorzorg moet er ruimte langs dijken en rivieren blijven om 17.000 m³/s in 2050 via de Rijntakken te kunnen afvoeren en 18.000 m³/s in het jaar 2100. Om het beschermingsniveau te halen blijft preventie voorop staan, via dijken, stormvloedkeringen of rivierverruimende maatregelen. In specifieke situaties, waar dijkversterking zeer duur of maatschappelijk zeer ingrijpend is, zijn slimme combinaties met ruimtelijke inrichting en/of rampenbestrijding mogelijk om hetzelfde beschermingsniveau te bereiken. Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen hebben daarnaast de gezamenlijke ambitie dat Nederland in 2050 zo goed mogelijk klimaatbestendig en waterrobuust is ingericht en bij (her)ontwikkelingen geen extra risico op schade en slachtoffers ontstaat als gevolg van een overstroming, voor zover dat redelijkerwijs haalbaar is.

Het waterveiligheidsbeleid in het rivierengebied berust op twee pijlers: dijkversterking en rivierverruiming. Een deel van de waterveiligheidsopgave is alleen met dijkverbeteringen op te lossen. Dit is het geval waar dijken niet sterk genoeg zijn. Voor piping worden in het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) innovatieve methoden ontwikkeld om de impact en de kosten van maatregelen te beperken. Dijkversterkingen zijn ook nodig op plaatsen waar in de toekomst sprake is van bodemdaling of zeespiegelstijging. Een ander deel van de veiligheidsopgave in het rivierengebied is met zowel dijkverbetering als rivierverruiming op te lossen. Deze opgave vloeit voort uit hogere rivierafvoeren door klimaatverandering en de nieuwe normen. Door rivierverruiming kan worden voorkomen dat de waterstanden stijgen bij een toename van de rivierafvoer. Ook creëert het kansen voor ruimtelijke ontwikkelingen, zoals natuur en recreatie. De opgave is het vinden van de optimale mix van dijkversterking en rivierverruiming per riviertak. Bij de definitieve uitwerking van maatregelen en de keuze van maatregelen spelen de bijdrage aan waterveiligheid, kosten, meekoppelkansen, overige baten en draagvlak een rol.

In Oost-Nederland liggen belangrijke bundelingen van economische waarden in het gebied rond Arnhem-Nijmegen, Food Valley, Zwolle-Kampen en de Stedendriehoek. Bij de keuze van maatregelen die de waterveiligheid vergroten worden dan ook meerdere belangen meegewogen: natuur, gebiedsontwikkeling en economie (bevaarbaarheid, overslagmogelijkheden, recreatief medegebruik). De ‘flessenhalzen’ die steden vormen voor de rivier, creëren voor de wateropgave zowel een uitdaging als kansen, in combinatie met de ruimtelijke inrichting en de stedelijke ontwikkeling, zoals het geval is bij bijvoorbeeld de dijkteruglegging bij Lent.