1. Home
  2.   MIRT Overzicht 2016
  3.   Over het MIRT
  4. Toelichting op het MIRT

Toelichting op het MIRT

Het MIRT kent op dit moment vijf onderdelen die samen waarborgen dat het MIRT uitgevoerd wordt. Deze vijf zijn:

  1. de bestuurlijke overleggen per MIRT-gebied tussen Rijk en regio in het najaar;
  2. de in gezamenlijk overleg tussen Rijk en regio opgestelde gebiedsagenda’s;
  3. het MIRT Onderzoek;
  4. de Spelregels van het MIRT en
  5. het MIRT Overzicht.

De eerste vier onderdelen worden hieronder uitgebreid toegelicht. Er wordt later apart ingegaan op het MIRT Overzicht.

Bestuurlijke overleggen MIRT

Het MIRT gaat uit van intensieve samenwerking tussen het Rijk, de decentrale overheden, waterschappen, het bedrijfsleven en andere betrokken partijen. Om dit te faciliteren is er het bestuurlijke overleg MIRT (BO MIRT). In het overleg staan, naast de lopende projecten, de Gebiedsagenda en strategische discussies die daaruit voortkomen centraal. Aan de hand hiervan worden nadere (financiële) afspraken en, waar nodig, bestuurlijke afspraken gemaakt. Bij de prioritering van opgaven en oplossingen gaat het Rijk uit van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en de beleidsmix investeren, innoveren, informeren, infrastructuur en in stand houden. Om besluitvorming over infrastructuur, water en duurzame ruimtelijk-economische ontwikkelingen zo goed mogelijk op elkaar af te stemmen, zitten niet alleen decentrale bestuurders met verkeer en vervoer en water in hun portefeuille aan tafel, maar ook bestuurders met andere ruimtelijke portefeuilles en worden waterschappen en het bedrijfsleven –voor zover relevant- uitgenodigd. Er vinden met ingang van 2015 BO’s MIRT plaats in vijf in plaats van zeven MIRT-gebieden: de regio’s Zuidvleugel en Zuidwestelijke Delta zijn samengevoegd tot Zuidwest-Nederland en de regio’s Brabant en Limburg zijn samengevoegd tot Zuid-Nederland. De resultaten van de BO’s MIRT worden per brief aan de Tweede Kamer gemeld en tijdens het Notaoverleg MIRT in de Tweede Kamer besproken.

MIRT Gebiedsagenda’s

De MIRT Gebiedsagenda’s vormen de basis voor het bespreken van onderwerpen in de BO’s MIRT en het maken van concrete (financiële) afspraken. Vanaf 2009 zijn door Rijk en regio gezamenlijk acht gebiedsagenda’s opgesteld. Het gaat om Noordwest-Nederland, Utrecht, Zuidvleugel, Zuidwestelijke Delta, Brabant, Limburg, Oost-Nederland en Noord-Nederland. De gebiedsagenda’s van Noordwest-Nederland en Utrecht zijn inmiddels samengevoegd tot een gebiedsagenda Noord-Holland | Utrecht | Flevoland. Een gebiedsagenda bestaat grosso modo uit twee delen. Deel één beschrijft de visie, ambities en ontwikkelrichting van de betreffende regio en geeft een prioritering van opgaven en gebieden. Het tweede deel betreft de uitwerking van deze opgaven: welke mogelijke programma’s en projecten kunnen nu of in de toekomst bijdragen aan het invullen van de opgaven? De gebiedsagenda’s zijn in de BO’s MIRT vastgesteld en vormen sindsdien de onderlegger en de visvijver voor deze overleggen. De gebiedsagenda’s zelf zijn geen besluit om programma’s of projecten tot uitvoering te brengen. Met de SVIR is het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid van het Rijk geherformuleerd en gedeeltelijk gedecentraliseerd. In de SVIR zijn opgaven van nationaal belang scherper benoemd en zijn keuzes gemaakt. Dit heeft in 2013 en 2014 een doorwerking gekregen in een actualisatie van de gebiedsagenda’s. De centrale rol van de (geactualiseerde) gebiedsagenda’s in het MIRT wordt versterkt door ze in te zetten als aanleiding voor een strategisch gesprek en als inhoudelijk kompas bij het prioriteren van opgaven en projecten, inclusief de rolverdeling tussen Rijk en regio.

MIRT Onderzoek

Het MIRT Onderzoek, dat getrokken kan worden door het Rijk of de regio, is er ofwel op gericht een (in de MIRT Gebiedsagenda opgenomen) opgave of ontwikkelrichting nader te concretiseren, danwel om een integrale gebiedsontwikkeling uitvoeringsgereed te maken. Het is echter geen eerste stap op weg naar een beslissing over een eventuele rijksinvestering. De uitkomst van een MIRT Onderzoek kan via aanscherping van de gebiedsagenda en/of na besluitvorming (conform de Spelregels van het MIRT) in bijvoorbeeld een BO MIRT aanleiding zijn om voor een bepaalde (set van) opgave(-n) een MIRT Verkenning te starten. Een MIRT Onderzoek dient te voldoen aan de principes van Sneller & Beter. Vanuit het Rijk-regio programma Vernieuwing MIRT -gericht op het klaar maken van het MIRT voor de toekomst- wordt het aanpakken van een MIRT opgave met de drie pijlers (brede blik, samenwerken en maatwerk) gestimuleerd. Er wordt momenteel veel ervaring opgedaan met de toepassing van deze drie pijlers bij een achttal MIRT Onderzoeken en Verkenningen rondom een bereikbaarheidsopgave.

Spelregels van het MIRT

Het doel van de Spelregels van het MIRT is het beschrijven van de rollen en taken van partijen alsmede de besluitvormingsvereisten bij het Rijk om te komen tot een beslissing over een eventuele financiële rijksbijdrage. De huidige spelregels schetsen het proces dat een MIRT opgave danwel project/programma doorloopt van verkenning, planuitwerking tot en met realisatie, inclusief de bijbehorende beslismomenten. Er worden vier beslismomenten onderscheiden, te weten start-, voorkeurs-, project- en opleveringsbeslissing. Het doel hiervan is om te verantwoorden hoe de beslissing tot stand is gekomen, wat de beslissing inhoudelijk bevat en wat het eventuele vervolgtraject is. Per beslismoment dient te worden voldaan aan het bijbehorende informatieprofiel, waar wordt ingegaan op de opgave of probleemanalyse, oplossingsrichtingen, betrokken partijen, financiën, besluitvorming en aanpak vervolg. De spelregels werken daarbij als een zeef. Er is, de opleveringsbeslissing uitgezonderd, geen automatische doorstroming van een project van de ene naar de volgende fase. Per fase wordt een expliciete (bestuurlijke) beslissing genomen over het wel of niet (blijven) opnemen van het project in het MIRT. Hoe verder het project in de procedure komt, hoe concreter het project is. Vanaf de planuitwerkingsfase kan integrale gebiedsverkenning worden geknipt in verschillende (deel)projecten. Een gezamenlijke uitvoeringsstrategie moet er dan voor zorgen dat de samenhang op gebiedsniveau bewaakt wordt.

De spelregels gelden voor alle betrokkenen bij een (mogelijke) MIRT opgave, project of programma in het fysieke domein. Dit geldt voor projecten en programma’s van IenM voor het hele MIRT proces (verkenning, planuitwerking en realisatie). Bij de gebiedsgerichte verkenning worden ook de domeinen van de ministeries van Economische Zaken (EZ) en Binnenlandse Zaken (BZK) meegenomen. De trekker is verantwoordelijk voor de correcte toepassing van de spelregels. Zowel het Rijk als een decentrale overheid kan trekker zijn.

In 2011 zijn de spelregels geactualiseerd (TK 33000 A, nr 20, bijlage 2). Het betreft een eenduidiger gebruik van terminologie, de verdere ‘vernatting’ in het kader van het Deltaprogramma, het integreren van de Sneller & Beter werkwijze en de wijziging van de Tracéwet. Momenteel worden de spelregels nogmaals geactualiseerd en in 2016 worden deze vastgesteld. De gedachten rond Vernieuwing MIRT/Meer Bereiken worden in de spelregels verwerkt, externe ontwikkelingen worden in de spelregels meegenomen en ook wordt gekeken of het wenselijk is spelregels voor MIRT Onderzoeken op te nemen.