1. Home
  2.   MIRT Overzicht 2016
  3.   Het MIRT en...
  4.   Active modes
  5. Het MIRT en active modes

Het MIRT en active modes

Bij het stimuleren van betere bereikbaarheid denken we vaak in de eerste plaats aan auto en spoor. Zoals hierboven reeds vermeld, ontstaat er de laatste jaren meer aandacht voor andere modaliteiten. Lopen en fietsen - samen ook wel de active modes genoemd, spelen een belangrijke bijdrage in het vervoerssysteem van deur tot deur. Niet alleen als afzonderlijke modaliteit, maar vooral ook als onderdeel van een multimodale reis. Zo gaat vrijwel de helft van alle treinreizigers op de fiets naar het station.

In geen ander land wordt zo veel gefietst als in Nederland. Met ruim 22 miljoen fietsen bezitten we gemiddeld meer dan één fiets per inwoner. Het fietsgebruik gaat voor een deel ten koste van het lopen, want op dat vlak moeten we meerdere landen voor laten gaan. De toename van het fietsgebruik is vooral zichtbaar in de Nederlandse steden. Landelijk bedraagt het aandeel fietsverplaatsingen 26 procent van het totaal aantal verplaatsingen maar in sommige steden (zoals Groningen) loopt dat op tot ruim de helft. Stedelijke dichtheid en nabijheid van functies spelen een belangrijke rol bij de vervoerskeuze. Een betere afstemming tussen stedelijke planning en mobiliteitsbeleid kan hiermee bijdragen aan meer duurzame mobiliteit. De active modes dragen dus vooral in de steden bij aan de leefbaarheid en de betere bereikbaarheid. Toch daar is nog de meeste winst te behalen. Meer dan de helft van alle autoritten is korter dan 7,5 kilometer, een afstand die de meeste fietsers acceptabel vinden. In het programma Beter Benutten wordt dan ook in samenspraak met de regio’s gewerkt aan het stimuleren van de overstap van de auto naar de fiets. Ook wordt de fiets als een mogelijke oplossing voor een bereikbaarheidsknelpunt serieus meegenomen. Naast het utilitaire karakter van lopen en fietsen valt ook het recreatieve gebruik op. Ruim een kwart van alle fietsverplaatsingen, en maar liefst 40 procent van alle voetgangersverplaatsingen heeft een recreatief motief. Om het recreatieve gebruik te stimuleren wordt bijvoorbeeld in overleg met de spoorvervoerders gekeken naar ruimere mogelijkheden om fietsen mee te nemen buiten de spitstijden, en wordt bezien of ecoducten ook geschikt gemaakt kunnen worden voor wandelaars en fietsers.

Fietsbeleid is in principe een decentrale verantwoordelijkheid. De decentrale overheden maken bij de uitvoering van hun beleid gebruik van de Brede DoelUitkering (BDU). Het Rijk vervult een faciliterende en stimulerende rol zodat de decentrale overheden hun werk goed kunnen doen. Bij verschillende initiatieven heeft het Rijk ook zelf al een rol om bij te dragen aan een beter fietsklimaat, bijvoorbeeld Lokale aanpak Veilig Fietsen, Green Deal Fiets, City Deals - Agenda Stad en diverse verkeersveiligheidscampagnes. De drukte op de fietspaden en bijvoorbeeld slecht afgestemde verkeerslichten leiden soms al tot fietsfiles en de snelheidsverschillen tussen bijvoorbeeld e-bikes en bakfietsen kunnen tot gevaarlijke situaties leiden. De grote aantallen fietsen bij stations zorgen voor een belasting op de publieke ruimte, en moeten worden opgevangen in een enorme uitbreiding van het aantal stallingen. Vanuit het actieplan ‘Fietsparkeren bij Stations’ is een bijdrage van € 221 miljoen vrijgemaakt om bij te dragen aan oplossingen. Om de faciliterende rijksrol de komende jaren beter in te kunnen vullen participeert IenM in het Tour de Force-traject, initiatief van de decentrale overheden waarmee de (beleidsmatige) uitdagingen op het fietsdossier voor de komende jaren in kaart gebracht worden. In de ‘Agenda fiets 2015-2020’ worden doelen gesteld om het fietsgebruik te stimuleren.

Meer informatie